Snakes
Aangeboden koppel Morelia spilota iran jaya (Onverwante dieren uit 2006)
 |
Hiernaast zie je de Morelia spilota iran jaya.
Links zie je man en rechts de vrouw afgebeeld.
....................................................................... |
 |
Aangeboden n.k. 2008: Morelia spilota cheynei (laatste gestreepte man, zie foto hieronder)

Aangeboden n.k. 2009: Morelia spilota caramel
 |
Hiernaast zie je de Morelia spilota caramel.
Dit zijn 100% Caramels en geen kruisingen
....................................................................... |
 |
Aangeboden n.k. 2009: Morelia spilota iran jaya (zie foto`s hieronder).
Verwacht: nakweek 2010:
Antaresia childreni – Children`s python (100% zuiver Antaresia childreni….. geen kruising !!!)
Boa c. supersalmon (Rich Ihle, Amerika)
Boa c. albino coral (Genetic gems - Engeland)
Boa c. c. 100% hetrozygoot voor albino coral (Genetic gems - Engeland)
Elaphe guttata guttata - Snowcorn
Morelia spilota Bredli (U.K. Python - Paul Harris, Engeland & Scaly Jewels, Duitsland)
Morelia spilota caramel (100% Caramel…..geen kruising !!!) ( Sarl ABC Animalerie, Frankrijk)
Morelia spilota cheynei X Morelia spilota spilota (Crossings 25% Diamant) (Lucien van Rooyendijk & Edwin van der Poel)
Morelia spilota crossing (50% Diamant) (U.K. Python - Paul Harris, Engeland).
Morelia spilota Iran jaya (ook wel Harrisoni of Macropsila genoemd) (Piet Nuyten, Nederland)
Morelia spilota mcdowelli (okergele variant).
Hieronder staan enkele foto`s van mijn ouderdieren en hun jongen (klik op de foto voor een vergroting).
v.l.n.r: Antaresia childreni - Boa constrictor salmon -Boa c. c. 100% hetrozygoot - Elaphe guttata snowcorn
 
v.l.n.r: Morelia spilota Bredli - Morelia spilota caramel - Crossings 25% Diamant - Crossings 50% Diamant

v.l.n.r: Morelia spilota Iran jaya - Morelia spilota mcdowelli - Morelia spilota variegata - morelia spilota High yellow.

De mens heeft zolang ze de slangen kent, altijd respect en angst voor deze dieren gehad.
Zo vereert de ene bevolking de afgodslang (Boa constrictor constrictor) en de ander de groene Anaconde (Eunectes murinus) en de bekendste zijn natuurlijk de Egyptenaren met hun brilslangen (Naja naja).
De angst die de meeste mensen voor slangen hebben komt mede door de bijbel, omdat volgens dat verhaal de slang toen nog kon praten, en op die manier de hele wereld heeft verandert door de mens tot slechte dingen aan te zetten.
Ook is de mens vaak bang voor de slang omdat men denkt dat een slang hypnotiseren kan, dit is echter niet zo, want een slang is een passieve jager die een slecht gezichtsvermogen heeft en daarom vaak alleen maar bewegingen kan waarnemen, waardoor het net lijkt of ze haar prooidier of haar belager wil hypnotiseren.
Vroeger was het houden en fokken van slangen alleen iets voor dierentuinen en herpetologen. Maar door de jaren heen zijn er duizenden amateur slangenhouders gekomen die met deze dieren fokken.
Niet alle slangen zijn geschikte terrarium dieren omdat nog lang niet alles van ieder soort bekend is.
Zo is de ene soort erg kieskeurig wat haar dieet betreft, of ze is erg zeldzaam of ze zijn levensgevaarlijk.
Slangen zijn over het algemeen geharde en weinig eisende dieren die daarom dan ook bijna over de hele wereld voorkomen, behalve op Antarctica.
De slang is een zeer interessant diersoort omdat bijna iedere slangensoort kan klimmen, zwemmen, kruipen, eten en drinken zonder daar handen of voeten erbij nodig te hebben.
Het grootste probleem waar de slangenhouders echter mee te kampen hebben zijn de ziektes en parasieten, omdat men niet maar zo maar met een slang naar de eerste de beste dierenarts kan lopen.
Het probleem die de meeste dierenartsen hebben is ten eerste de "te" weinige ervaring met reptielen, omdat de stofwisseling van een reptiel trager is dan die van een warmbloedig diersoort, ten tweede omdat die waarschijnlijk met de bacteriën en virussen die een reptiel bij zich kan dragen, nog nooit eerder te maken heeft gehad dus ook niet goed weet hoe hij/zij het bestrijden moet.
Probeer daarom als men een slang wil gaan aanschaffen, om een in gevangenschap geboren dier te krijgen zodat er de minste kans is op problemen en ziektes.
Het mooie van slangen is dat er geen twee dieren er exact hetzelfde uitzien, en natuurlijk zijn er de vele verschillende, kleurpatronen, soorten en maten van deze dieren. Er zijn meer dan 3000 soorten (incl. ondersoorten slangen) bekend (zie de lijst hieronder)
Slangen families |
Aantal geslachten |
Aantal soorten |
| 0.1 Acrochordidae - Wratten slangen |
2 |
3 |
| 0.2 Aniliisae - Cylinderslangen |
3 |
9 |
| 0.3 Boidae - Boa`s en Pythons |
22 |
90 |
| 0.4 Colubridae - Typische slangen |
250 |
2500 |
| 0.5 Elapidae - Cobra`s, Mamba`s enz |
41 |
180 |
| 0.6 Hydrophiidae - Zeeslangen |
16 |
50 |
| 0.7 Leptotyphlopidae - Draadslangen |
2 |
50 |
| 0.8 Typhlopidae - Blinde slangen |
5 |
200 |
| 0.9 Uropeltidae - Schild of Staartslangen |
8 |
40 |
| 10 Viperidae - Adders en Groefkopadders |
14 |
150 |
| 11 Xenopeltidae - Zon minnende slangen |
1 |
1 |

Voordat je een slang als huisgenoot gaat aanschaffen,
moet je eerst een paar dingen op een rijtje zetten.
0.1 Pas bij de aanschaf op dat je er ook de nodige documenten bij krijgt.
Vooral bij dieren die op de Budep lijst staan (Lijst voor Bedreigde Uitheemse Dieren en Planten).
0.2 Houd er ook rekening mee dat een slang zich niet aan zijn terrarium aanpast, maar gewoon doorgroeit, en dat daarom het terrarium stevig genoeg is, met de nodige schuil-, klim- en lig-gelegenheden.
Ook mag een ruime waterbak waar ze helemaal in kunnen gaan liggen niet ontbreken.
Houd er wel rekening mee dat wanneer een slang in haar waterbak heeft gelegen, ze er niet meer uitdrinkt en dat je deze, nadat ze klaar is met badderen, onmiddellijk verschoont.
0.3 Let goed op wat voor soort slang je aanschaft in verband met de grootte van het dier, omdat sommige slangensoorten wel tot acht meter lang kunnen worden.
Houd er rekening mee dat sommige soorten niet erg gemakkelijk in de omgang zijn en er ook niet voor terug deinzen om naar hun baasje te happen.
0.4 Is het voor de slangenhouder mogelijk om altijd het juiste voedsel aan te bieden, en ben je in staat om levende voedseldieren te voeren en er naar te kijken hoe de slang zijn prooi doodt. Ook moet je in staat zijn om zelf de voedseldieren te doden zodat je ook uit de diepvries kunt voeren (uiteraard moeten deze dieren eerst worden ontdooit).
Als je toch besloten hebt om een slang aan te gaan schaffen, kun je het beste met een rustig, niet al te groot en agressief soort beginnen.
De hoogte en breedte moeten minimaal een afmeting hebben van 2/3 van het lichaam van de slang
Ook moet je er rekening mee houden of de slang een bodembewoner, of een echte klimmer is, dit in verband met de hoogte, breedte en diepte
Zet het terrarium nooit in de tocht of in direct zonlicht als de slang geen schuilplaats heeft. Het terrarium moet zo "steriel" mogelijk worden ingericht, i.v.m. virussen of parasieten zodat deze makkelijk te bestrijden zijn.
Zorg voor een juiste temperatuur en een goede ventilatie in het terrarium, zodat wanneer het soort het verlangt je op zijn tijd ook kunt sproeien zonder dat het gaat schimmelen.
Pas goed op dat de dieren niet kunnen ontsnappen omdat ze dat op allerlei manieren zullen proberen.
Als een ontsnapte slang eenmaal is terug gevonden, zal deze zijn leven lang pogingen blijven ondernemen om te ontsnappen.
We kunnen vier verschillende terrariums onderscheiden
n.l.:
01 Droog terrarium:
Bij een droog terrarium is alleen maar het drinkwater echt noodzakelijk .
De bodem kun je bedekken met wat aquariumzand, beukensplit of kranten.
Je kunt het geheel opsieren met een paar gladde en ruwe stenen van verschillende groottes. Klimgelegenheid is absoluut niet noodzakelijk, maar een schuilplaats zullen ze zeer op prijs stellen.
Deze terrariums zijn erg geschikt voor bijvoorbeeld Zandboa`s (Eryx).
02 Halfvochtig terrarium:
Dit soort terrarium bevat een grote waterbak met een lichtvochtige en losse bodemgrond van bosaarde of turfmolm.
Klimmogelijkheden zijn in dit type terrarium absoluut niet noodzakelijk.
Dit terrarium is zeer geschikt voor bijvoorbeeld Cilinderslangen (Aniliisae).
03 Vochtig terrarium:
Een vochtig terrarium bevat een grote waterbak met een flinke beplanting en veel klim-, lig-, en schuilmogelijkheden.
De bodem kun je bedekken met mos gemengd met losse bosaarde of turfmolm.
De luchtvochtigheid schommelt tussen de 50 à 80 %. D
eze terrariums zijn o.a. zeer geschikt voor: Kousebandslangen (Thamnophis), Ringslangen (Natrix), Vliegende slangen (Chrysopelea), Zweepslangen (Ahaetulla), Sweepies (Leptophis), Hondskopboa (Corallus) e.a.
04 Steriel terrarium:
In dit soort terrarium type hoort een ruime waterbak te staan waar ze niet alleen uit kunnen drinken, maar waar ze ook in kunnen gaan baden wanneer ze daar zin in hebben.
Je kunt het geheel wat aankleden met een paar grove ruwe stenen, een paar flinke stevige takken waar ze over heen kunnen klimmen of waar ze op kunnen gaan rusten.
Je kunt er nog wat ligplanken en wat schuilplaatsen erin plaatsen.
Het geheel zou je met wat kunststof planten en bloemen kunnen opsieren.
Deze terrariums zijn zeer geschikt voor de Boa`s, Pythons en Elaphe soorten.
 |
Hiernaast zie je Mark (toen nog met lang haar) met een Python molurus bivittatus - Donkere tijgerpython.
Dit is een gemakkelijk en rustig soort, waardoor ze ondanks haar lengte lengte (tot maximaal 700 cm.) veel gehouden wordt door verschillende slangenhouders.
In het wild leeft deze soort in de grootste delen van Zuid oost Azië.
Van het genus Python molurus zijn totaal drie ondersoorten nl: Python molurus bivittatus - Donkere tijgerpy-thon / Python molurus molurus - Lichte tijgerpython / Python molurus pimbura - Ceylonpython |
Als je besloten hebt om b.v. een koppel Rode rattenslangen (Elaphe g. guttata) aan te schaffen, kun je het beste een steriel terrarium nemen van ± 50-35-75 cm. (breedte-diepte-hoogte) met daarin een paar mooie stevige klimtakken zodat het dier zelf zijn ideale temperatuur kan gaan bepalen.
Dit soort is het beste te houden met een dagtemperatuur van 25-28 Cº, terwijl het `s nachts mag afkoelen tot 18-22 Cº.
Dit is een middel groot soort met een maximale lengte van 150 cm, die vrij actief, en zelden agressief is.
Een eventuele schuilplaats en een ruime waterbak waar ze in kunnen baden zullen ze zeer op prijs stellen.
Het geheel kun je wat opsieren met echte- of kunstplanten.
De voorkeur gaat meestal uit naar de kunstplanten omdat deze het beste schoon en steriel te houden zijn.
De bodem kun je bedekken met een stuk keukenrol, kranten, zaagsel of beukensplit.
Het voedsel bestaat uit knaagdieren en vogels.
Wanneer je besloten hebt om een koppel Konings- of Melkslang (Lampropeltis) aan te schaffen, kun je het beste ieder dier afzonderlijk huisvesten in een steriel terrarium omdat er anders kans is op ongewenst kannibalisme.
Lampropeltissen zijn van nature slangeneters.
Bij dit soort is een terrarium of kunststof bak met een ± 50-35-35 cm.(breedte-diepte-hoogte) al voldoende.
De beste temperatuur voor dit soort is 25 - 30 Cº overdag, terwijl het `s nachts mag afkoelen tot 18 - 22 Cº.
Je moet met de melkslangen wel oppassen dat de temperatuur niet langer dan 48 uur boven de 30 Cº komt, omdat de mannen dan onvruchtbaar kunnen worden.
Omdat dit soort niet klimt, is er geen klimtak nodig en zal een eventuele ligplank onder een hittebron al voldoende zijn.
Dit soort is vrij schuw en zal daarom een schuilplaats verlangen, of een aantal kunstplanten waar ze zich tussen kunnen verstoppen.
De bodem kun je bedekken met een stuk keukenrol, kranten, zaagsel of beukensplit.
Hun voedsel bestaat uit kleine knaagdieren en vogels.
Heb je besloten om Vis- en Amfibie etende slangen te gaan houden, (Kouseband slang-Thamnophis), dan kun je het beste een vochtig terrarium nemen van ± 80-35-40 cm (breedte-diepte-hoogte) met enkele klimtakken en schuilplaatsen.
Het beste voor dit soort is om de dieren in een volglas terrarium te plaatsen.
De temperatuur moet zijn tussen de 25-30 Cº overdag, terwijl het `s nachts mag afkoelen tot ± 20 Cº.
Dit zijn zeer actieve, nieuwsgierige, middelgrote dieren die vaak maar een lengte bereiken van maximaal 100 cm.
Denk niet, omdat dit vis etende slangen zijn, dat ze in het water leven.
Ze leven voornamelijk aan het water, maar eten en baden wel erg veel in het water.
In het terrarium van dit soort mag daarom absoluut de ruime waterbak niet vergeten worden !! Het terrarium kun je aankleden met echte- of met kunstplanten.
De bodem kun je bedekken met veenmos (spagnum), turfmolm, bladeren, zaagsel of beukensplit.
Houd de bodem wel droog, omdat de dieren anders blaren en wondjes op hun buik kunnen krijgen !!
Dit soort heeft het liefst de hittebron van boven.
Het terrarium voor dit soort kun je verwarmen door middel van lampen of verwarmingsmatjes, of door beide tegelijk te gebruiken.
Als je van plan is om een Boa of Python aan te schaffen zul je er rekening mee moeten houden dat deze soorten niet allemaal even groot en vriendelijk zijn.
De meeste soorten verlangen een stevig en steriel terrarium.
Wanneer je een Afgodslang (Boa c. constrictor) aanschaft zul je een ruim terrarium moeten nemen van ± 125-100-200 cm. (breedte-diepte-hoogte).
Neem je een Donkere tijgerpython (Python m. bivittatus) zul je een terrarium moeten bouwen van ± 200-150-250 cm. (breedte-diepte-hoogte).
Voor beide diersoorten geldt dat ze een paar stevige ligplanken en eventuele klimtakken verlangen, een grote waterbak waar ze in kunnen baden.
De temperatuur overdag is ± 32Cº, terwijl het `s nachts mag afkoelen tot ± 25 Cº.
De bodem mag je bedekken met kranten, zaagsel of beukensplit.
Het voedsel bestaat uit grote knaagdieren en vogels.
De goedkoopste manier om deze dieren te voeren is met kippen, cavia`s en konijnen.

Hierboven zie je één van mijn Morelia spilota cheynei die ik in mijn bezit heb.
Als je de dieren gaat voeren kun je kiezen uit levend of dood voer.
De meeste mensen vinden het voeren van een levende prooi vaak erg wreed voor het prooidier, maar op het moment dat de slang zijn prooi wurgt (omstrengeld met haar lichaam), is het prooidier in zo`n staat van shock dat ze niet realiseert wat haar overkomt.
Mocht het prooidier in zijn shock toestand toch de slang nog proberen te bijten, dan zal de slang daar geen hinder van ondervinden omdat het prooidier geen kracht genoeg heeft om door de leerachtige huid van de slang heen te bijten.
Het wordt echter wel geadviseerd, wanneer je levende prooi dieren bij een slang in haar terrarium zet, zonder dat de slang kan gaan schuilen, je de prooi goed in de gaten moet houden.
Want als de slang geen honger heeft, kan het desbetreffende knaagdier wel eens aan de slang gaan knagen.
Het wordt daarom aanbevolen om, als de slang na ± 25 min. de prooi nog niet heeft gewurgd, de prooi weer te verwijderen omdat een slang zijn prooi alleen maar wurgt als ze honger heeft
Voer je dood, dan kun je de prooidieren via een pincet aan aanbieden.
Reageert de slang er niet op dan kun je met de prooi wat voorzichtige bewegingen maken zodat het net lijkt of de prooi nog leeft.
Als je dode prooidieren in de diepvries bewaart, moet je er 100% zeker van zijn dat ze ontdooit zijn op het moment dat je gaat voeren.
Vis- en amfibie etende slangen soorten moeten worden bijgevoerd met de nodige vitamines en kalk preparaten.
Als je b.v. kouseband slangen (Thamnophis) houd, en je voert deze dieren ontdooide diepvries vis zoals Zoetwater spiering of Wijting, kun je deze het beste bestrooien met een kleine hoeveelheid Gistocal en het vitaminepreparaat Carmix.
Of je wast een nestmuis/rat en strijkt deze met een visgeur in.
wanneer je deze dieren levend wilt gaan voeren, kan dat met regenwormen.
Je kunt ook levende aasvisjes zoals gupjes of goudvissen in de waterbak loslaten.
Ververs wel de waterbak zo gauw de slangen de aasvisjes op hebben.

Hierboven zie je één van Morelia spilota mcdowelli die ik bezit.
Lichaamsbouw en Anatomie:
De lichaamsbouw van een slang valt vooral op door haar langgerekte lichaam zonder ledematen.
Dit diersoort onderscheidt zich van de pootloze hagedissen, doordat ze een rij schubben over de gehele breedte van de buik heeft.
De schubben op de rug van een slang zijn verschillend van grootte en kunnen ook allemaal verschillende kleuren vertonen, waardoor er een bepaald patroon kan ontstaan.
De schikking van de schubben is dan ook bepalend voor het soort.
Bij sommige soorten, zoals de Boa`s en Python`s, kun je nog zien waar vroeger de achterpoten hebben gezeten.
Op die plaats zitten nu nog slechts kleine klauwtjes (soort nageltjes), ook wel rudimentaire sporen genoemd.
Deze sporen zijn slechts gereduceerde ledematen bedekt met een hoornhuid.
De dieren gebruiken deze sporen ook alleen maar met de paring om het vrouwtje te stimuleren en zichzelf tijdens de copulatie (paring) vast te houden.
Maar je kunt hierdoor ook het geslacht bepalen, omdat de vrouwtjes nauwelijks tot geen sporen vertonen terwijl ze bij de mannetjes nog duidelijk aanwezig zijn (Deze manier van geslachts bepaling is niet met 100% zekerheid vast te stellen).
Het langgerekte lichaam van een slang kan ook onderling zeer verschillen. Zo heeft de één een extreem lange en dunne staart om goed mee te kunnen klimmen zoals b.v de Streepstaartslang (Elaphe teiniura friesei) en de bijzonder slanke draadslangen (Leptophis) of zoals bij de spitssnuitslang (Ahaetulla nasuta).
Ook zijn er slangensoorten die bijna geen staart hebben waardoor het net lijkt alsof ze helemaal geen staart hebben zoals b.v. bij de schildstaartslangen (Uropeltidae) of waar ze eindigen in een stompe punt zoals bij de Woelslangen (Aniliidae), Bloed- of kortstaartpython (Python curtus zie foto hieronder).
Sommige soorten hebben een afgerond achtereind zoals de Wormslangen ( Typhlopidae en Leptoty- phlopidae)
Bij deze dieren is het verschil tussen kop of staart alleen de twee kleine zwarte kraaloogjes. Door deze lichaamsbouw kan dit soort ontzettend goed graven.
Dan zijn er nog de Zeeslangen ( Hydrophiidae) met hun zijdelings- afgeplatte en samengeperste staartuiteinden, waardoor deze behendige dieren zich geheel aan de zee hebben kunnen aanpassen.
Doordat slangen een lang gerekt lichaam hebben, zijn de organen verandert of verplaatst. Doordat sommige organen zich verplaatst hebben zoals de nieren, testikels (geslachtsorganen) en eierstokken, liggen ze niet meer op een gelijke hoogte.
Bij de primitieve slangen (alle Boidae`s) zijn de beide longvleugels blijven zitten, maar de linker longvleugel is wel kleiner dan de rechter longvleugel.
Ook hebben de longen bij alle soorten een verschillende lengte naar de cloaca (anus) toe.
Zo reiken de longen bij de Wrattenslang (Acrochordus) bijna tot aan de cloaca.
Waar de primitieve slangen (Boidae) zich nog meer mee onderscheiden is, dat deze soort nog een korte blinde darm (coecum) heeft.
Ook ontbreekt de urineblaas.

Op bovenstaande foto zie je één van mijn Python curtus breitensteinie.
Zintuigen:
Slangen hebben geen oren zoals de meeste andere diersoorten.
Ze hebben ook geen goed en scherp gezichtsvermogen.
Slangen kunnen lucht en geuren proeven.
De gespleten tong speelt hierbij een belangrijke rol, omdat die via cellen op de tong alles doorspelen naar de hersenen.
Alle reptielen, zo dus ook de slangen, hebben een orgaan van Jacobson.
De gespleten tong van de slang vangt moleculen op uit de lucht en brengt die naar het orgaan die het rechtstreeks doorstuurt naar de hersenen.
Ondanks het slechte zicht van een slang kunnen zij met het orgaan van Jacobson een prooi lokaliseren.
Bijna alle slangen kunnen alleen maar bewegingen waarnemen waardoor het net lijkt alsof de slang aan het hypnotiseren is.
In werkelijkheid wacht de slang totdat zijn prooi of belager zich beweegt zodat zij met nauwkeurige precisie kan toeslaan.

Schematische afbeelding
van een slangenschedel om het orgaan van Jacobson uit te beelden.
A = Oog / ä.N = Uitwendige neusopening
/ i.N. = Inwendige neusopening (Cha-one) / Hd = Traanklier (Hardersche
klier) / Z = Tong / J = Orgaan van Jacob-son (De pijl geeft aan, dat
de door snel van voren naar achteren bewegende tong, de reukstoffen
in dit orgaan gevoerd worden) / Tg = Traangang
Het is ontzettend moeilijk om iets over het hoorvermogen van slangen te zeggen, omdat het trommelvlies ontbreekt, maar verder wel alle onderdelen van het inwendige oor aanwezig zijn, zoals dat ook bij andere reptielen het geval is.
Na vele experimenten, is het zelfs bewezen dat de gehoorbeentjes bij slangen zelfs de fijnste trillingen kunnen waarnemen.
De reden waarom ze Cobra`s (Naja) gebruiken bij het zogenaamde slangenbezweren, is dat de Cobra de bewegingen van de fluit volgt, waardoor het net lijkt dat dit een muzikaal diersoort is, maar in werkelijkheid hoort zij van dit alles totaal niets, en volgt zij alleen maar met dreiggebaren de bewegingen van de muzikant.
De Cobra wacht net zo lang tot de fluit stilstaat om dan toe te slaan, maar omdat de man ook met zijn voet het ritme mee stamt, is zij alweer snel afgeleid, en zal dan de voeten in gaten houden.
Dat de slangen dus muzikaal zijn en de muziek kunnen horen, is dus je reinste onzin.
Een Cobra kan alleen maar toeslaan als ze recht opstaat (de lengte die ze recht opstaat is tevens de lengte waar ze mee kan toeslaan).
Pas echter wel op, want er zijn ook Cobra`s die kunnen spuwen, en die kunnen wel tot vijf meter ver spugen.
Op
onderstaande foto een slangenbezweerder uit India met een Brilslang
(Naja naja).

Het skelet en de voortbeweging:
Het skelet van een slang bestaat uit een schedel en een wervelkolom die is samengesteld uit 200, tot meer dan 400 wervels.
Met uitzondering van de eerste twee wervels en de staartwervels zijn alle wervels voorzien van een paar beweegbare ribben.

Zoals je wellicht al zal weet heeft een slang geen poten om zich voort te bewegen, maar kun je bij sommige primitieve slangensoorten (Boa`s en Python`s) nog zien waar ze voor de evolutie hebben gezeten.
Die achtergebleven pootjes, worden ook wel rudimentaire sporen genoemd.
Slangen hebben hun voortbeweging aangepast aan vele omstandigheden.
De buikschubben zijn breed en plat en zitten met spieren aan de ribben vast.
Door de samenwerking van de buikschubben krijgt het hetzelfde effect als het profiel van een autoband.
De schubben zijn zo effectief dat sommige slangen zoals b.v. de Rode rattenslang (Elaphe g. guttata) zelfs verticaal tegen iets op kunnen klimmen.
Op het zwemmen na kunnen slangen zich op het land op verschillende manieren voortbewegen.
* (Caterpiller crawl) De grotere slangensoorten zoals b.v. Python molurus bivittatus beweegt zich kruipend, net als een rups voort .
Het is een golf van spieractiviteit van kop naar staart.
Om zich voort te bewegen gebruikt de slang zijn spieren en pezen, en zijn ± 300 ribben.
Met deze rechtlijnige voortbeweging zorgen de schubben voor de houvast, en trekt de slang zich vooruit.
* (Serpentine motion) De accordeon is een zeer vermoeiende manier van voortbeweging, omdat het veel energie van de slang vergt.
Deze kronkelachtige manier van bewegen past zij dan ook alleen maar toe als het echt noodzakelijk is, zoals b.v. wanneer ze klem zit.
* (Sidewinding) De zijwaartse beweging
is mogelijk doordat ze haar kop en lichaam als het ware naar voren gooit(in
een hoek van 45 graden) in de richting waar ze naar toe wil.
De schedel:
Aan de schedel kun je onderscheiden of je met gravende, of andere soorten slangen te maken heeft.
Ook kun je aan de schedel zien, of het hier om een giftige of een niet- giftige slang gaat.
Alle slangen die niet giftig zijn worden ook wel Aglypha slangen genoemd.
Dat wil zeggen dat deze dieren geen holle tanden of groeven hebben, die er voor zorgen dat er gif door kan stromen.
De gifslangen kun je in drie groepen onderverdelen n.l.: Soloneglyfe slangen. Proteroglyfe slangen. Opistoglyfe slangen.
De Soloneglyfe slangen hebben in de bovenkaak twee naar achteren weg klapbare, van binnen holle, tanden die met speciale gifklieren in verbinding staan.
Deze dieren behoren tot het genus Viperidae (Adders, Pofadders en Groefkopadders uit de Oude en Nieuwe Wereld).
Als deze soort bijt, worden de tanden opgericht en breken dan meestal af, maar ze worden vaak weer snel door nieuwe, (achter het eerste paar tanden in de plooien van de slijmhuid liggende jonge tanden) vervangen.
De Proteroglyfe slangen hebben vooraan in de bovenkaak twee paar onbeweeglijke, recht naar beneden staande, korte giftanden, die aan de voorkant van diepe groeven zijn voorzien.
Ook deze tanden staan in directe verbinding met de gifklieren.
Deze dieren behoren tot het genus Elapidae (Koraalslangachtigen, Mamba`s en Cobra`s).
Net als alle wortelloze tanden van het homodonte reptielengebit, zullen ook deze tanden als ze afbreken weer snel worden vervangen.
De Opisthoglypha slangen hebben de tanden achter in de bovenkaak staan en bezitten gifgootjes in hun tanden.
Deze soort brengt doormiddel van een kauwende beweging gif in de ontstane wond.
Deze dieren behoren tot het genus Boiginae (Drogadders).
Het gebit van deze dieren kan bijzonder verraderlijk zijn, omdat je deze soort gebitten ook vindt onder de niet giftige slangen soorten zoals bij de Ringslangachtigen (Colubridae). Normaal gesproken zullen deze dieren met hun giftanden geen kwaad kunnen, omdat hun gif meer bedoeld is als een hulp middel bij de spijsvertering.
Maar toch zijn er in het verleden dodelijke ongelukken met deze "onschuldige" slangen gebeurt, doordat ze op een vrij ongelukkige manier toch wel eens per ongeluk in een vinger hapte.
Er zijn nog steeds mensen die het gevaar van een gifslang onderschatten en denken dat, wanneer ze een spuitje met een serum toegediend krijgen, er alleen maar een wondje achterblijft.
Houd er rekening mee dat er nog niet voor iedere gifslang al een serum ontwikkeld is en dat iedere gesteldheid van ieder mens verschillend is, maar dat ook het ene gif sterker is dan het andere gif.
Zo heeft de Zwarte mamba (Dendroaspis polylepis) maar 120 mg. gif nodig om een mens te doden, terwijl ze bij één beet 1000 mg. gif afgeeft.
Bij de Gele krait (Bungarus candidus) is 1 mg. gif al dodelijk voor de mens, terwijl ze bij één beet al 5 mg. gif afgeeft.

Op het bovenstaande schema staan
enkele schedels van de belangrijkste slangensoorten.
A = (Aglyf) Woelslangen (Cylindrophis
rufus). B = (Aglyf) Netpython (Python reticulatis). C = (Aglyf) Gladde
slang (Coronella austriaca). D = (Proteroglyf) Zwarthals cobra (Naja
nigrocollis). E = (Opisthoglyf) Boomslang (Dispholidus typus).F = (Solonoglyf)
Pofadder (Bitis lachesis).
Het vervellen:
De wetenschappelijke naam voor het vervellen is Ecdysis.
Een slang vervelt op bepaalde tijden, en zoals alles heeft ook het vervellen verschillende functies.
Een slang groeit zijn hele leven door en doordat een slang een leerachtige huid heeft, zal deze van tijd tot tijd moeten vervellen, omdat ze anders uit hun haar vel zou scheuren.
Jonge slangen vervellen in de regel vaker dan de oudere slangen.
Bij volwassen dieren heeft het vervellen een functie van het groeien, en het paren.
Als de volwassen dieren uit de winterslaap komen vervellen ze.
Ze doen dat omdat met het vervellen de slangen een bepaalde geur afscheiden, waardoor de paringsstimulans wordt aangespoord.
Na het paren en kort voordat de vrouwtjes de eieren, of de jonge baby`s zal gaan werpen, zullen de dieren eerst weer vervellen.
Sommige noemen dit stuk vel ook wel een "slangenhemd", waar erg voorzichtig mee moet worden omgegaan omdat deze zo scheurt.
Het vervellen is een proces van ± 7 - 12 dagen.
In die periode neemt de slang normaal gesproken geen voedsel tot zich.
In de eerste 4 a 5 dagen vormt er zich een afscheiding van een olieachtige vloeistof tussen de hoornhuid en de opperhuid.
Bij een vervelling wordt de bovenste laag van de opperhuid (Epidermis), (de zogenaamde hoornlaag) inclusief de "bril" (ooglenzen) afgestoten.
De hoornhuid laat de uit de vier overige lagen bestaande opperhuid los.
Door de olieachtige afscheiding ziet de slang er dan ook dof en blauwachtig uit.
Het vervellen van een slang herkent men meestal aan de blauwe melkachtige ogen.
Na een dag of 5 ziet de slang er weer normaal van kleur uit.
Als het voor de slang tijd is om te vervellen zal ze met haar snuit beginnen te schuren tegen een ruw oppervlak.
Wanneer de huid om de boven- en onderkaak los geschuurd is, zal de buitenste huid van voor naar achteren, en van buiten naar binnen worden afgestroopt.
Als een slang éénmaal vervelt is, is ze vaak op haar mooist met al haar kleuren.
Gezonde slangen die dan ook op de juiste wijze in het terrarium worden gehouden, zullen zonder problemen vervellen.
Dit neemt niet weg dat men altijd zijn pas vervelde dieren moet controleren, omdat het kan gebeuren dat er kleine stukjes vervelling op het puntje van haar staart, en op de zogenoemde "brillen" blijven zitten.
Het probleem is wanneer er stukjes vervelling achterblijven, er tussen de oude, en de nieuwe huid haarden schimmelziektes kunnen ontstaan.
Dit kan als gevolg hebben dat het gaat etteren en dat de slang blind kan worden, ook kan er bloedarmoede ontstaan wat de dood tot gevolg kan hebben.
Als een slang niet helemaal vervelt is, kun je de slang enkele uren in een bak met handwarm water leggen, zodat de vervelling er vanzelf afweekt.
Lukt dit niet dan is men genoodzaakt om het dier zelf een handje te helpen door de vervelling er voorzichtig af te stropen.
Hieronder zie je de vervelling van een Boa constrictor constrictor (afgodslang).

Geslachtsonderscheid:
Aangezien je aan de buitenkant van een slang niet kunt zien of het om een man of om een vrouw gaat, heb ik hieronder een aantal voorbeelden gegeven op welke manieren je het wel kunt bepalen.
Bij Boa`s en Python`s zijn de rudimentaire pootjes die zich aan de weerzijden van de cloaca (anus) bevinden nog duidelijk aanwezig.
Bij het mannetje is deze het beste zichtbaar, terwijl bij het vrouwtje vaak alleen maar een verkleining van de beschubbing te zien is. (hierop zijn echter ook weer uitzonderingen mogelijk).
Roze (1966) geeft als geslachtsonderscheid bij Boa`s het aantal van de subcaudalen (onderstaart schubben) weer.
Mannetjes: 56-58 Vrouwtjes: 43-45 (het is ook mogelijk aan de hand van een vervelling de subcaudalen te tellen)
.
Op de foto hierboven
kun je duidelijk de rudimentaire sporen zien.
Sonderen:
De meest betrouwbare methode om het geslacht te bepalen is het "sonderen".
Dit is echter een secuur werkje dat beslist niet door een leek mag worden uitgevoerd, omdat de kans bestaat dat de voortplantingsorganen onherstelbaar beschadigd kunnen worden, en er tevens een kans op besmettinggevaar ontstaat, door het beschadigen van de geslachtsdelen. Onder sonderen wordt verstaan het inbrengen van een soort stompe naald (sonde), via de cloaca (anus), in de staartbasis (sonderen doet men altijd naar de punt van de staart toe).
Het geslacht is dan bepalend door de afstand waarmee de sonde kan worden ingebracht.
Bij Colubridae mannetjes gaat de sonde er ongeveer 7-9 schubben in, terwijl het er bij het vrouwtje maar 2-4 schubben zijn.
Wanneer de slangen eenmaal gesekst zijn is het erg raadzaam om de kenmerken en het geslacht van het dier op te schrijven om meerdere behandelingen tegen te gaan.
Op onderstaande foto kun je het sonderen zien (de pijl geeft aan dat het hier om een man gaat).

Poppen:
In sommige gevallen kunnen de hemipenissen naar buiten gekeerd worden, door met de duim druk uit te oefenen op de staartbasis, en voorzichtig met een golvende beweging, proberen de hemipenissen naar voren te duwen (masseren), zodat deze buiten het lichaam verschijnen. Deze techniek vereist wel enige ervaring (i.v.m. het beschadigen van de rug) en werkt het best bij pasgeboren Elaphe`s en Boa`s.
Als de hemipenissen naar buiten komen, is het natuurlijk duidelijk dat het om een mannetje gaat, wanneer dit niet gebeurt, kan het zijn dat je techniek nog niet helemaal goed is, of dat het hier om een vrouwtje gaat..
Gebruik bij twijfel altijd een sonde om het geslacht te bepalen (vergeet niet de sonde met vaseline of andere antiseptische zalf in te smeren).
Het poppen moet meestal binnen 8 weken gebeuren omdat het daarna steeds moeilijker gaat en er steeds meer kans is, dat je de geslachtsorganen of de rug beschadigd.
Op de foto hieronder zie je duidelijk de 2 hemipenissen buiten het lichaam verschijnen.

Geslachtsrijpheid:
Onder geslachtsrijpheid verstaan we het vermogen om zich voort te planten.
Het gaat hier vooral om de leeftijd voordat ze geslachtsrijp zijn.
De bepaling hiervan is echter nog steeds een probleem.
Wanneer de dieren geslachtsrijp zijn is eigenlijk alleen te bewijzen door een laboratorium onderzoek waarbij b.v. sperma wordt aangetroffen bij een mannetje.
Zulk onderzoek is wel verricht bij sommige soorten, maar het is duidelijk dat dit niet op grote schaal kan (Petzold 1984).
In de praktijk zal de geslachtsrijpheid van slangen eerder kunnen worden bepaald door de dieren al van jongs af aan goed waar te nemen.
Toch is dit ook nog niet zo eenvoudig gedaan als gezegd, omdat heel veel dieren eerder "paringsgedrag" tonen dan dat ze daadwerkelijk geslachtsrijp zijn.
Dat de geslachtsrijpheid mede door de lichaamsgrootte wordt bepaald is bij hagedissen, vooral bij de wat kleinere soorten, het geval, maar dit is minder opvallend dan bij slangen. Hoe sneller de dieren groeien, hoe korter de tijdsduur zal zijn dat de geslachtsrijpheid bereikt wordt.
Want dan komt de leeftijd en grootte eerder overeen, en dat kun je dan ook goed zien bij soorten die: -langzaam groeien (5 - 9 maanden) -snel groeiende soorten (2 - 4 maanden).
Over slangen zijn veel gegevens beschikbaar.
Meestal zijn deze gebaseerd op ervaringen van andere slangenhouders die helaas meestal de lengte niet mededelen.
Het is echter duidelijk vast komen te staan, dat de lengte van het dier bepalend is voor de geslachtsrijpheid.
Dat verklaart het verschil in leeftijd, niet iedere slang groeit even hard.
Bij de Boa constrictor constrictor werden eerste paringspogingen gesignaleerd met 29 maanden, dus nog geen 2,5jaar oud ( dit was in de dierentuin van Zurich ).
De slangen hadden op dat moment een lengte van 150 - 180 cm.
Voor een Boa constrictor constrictor die in het wild gevangen was, werd wel 6 - 8 jaar aangegeven voordat zij geslachtsrijp was.
Het is bekend dat jonge dieren die niet in de winterslaap of winterrust gingen, in tegenstelling met hun soortgenoten die wel in de winterslaap/rust gingen, dat die dieren niet alleen harder groeiden, maar ook eerder geslachtsrijp waren.
Samengevat kan men dus vaststellen dat de geslachtsrijpheid van de lengte afhangt, en dat de leeftijd maar een ondergeschikte rol hierbij speelt.

Op bovenstaande foto zie je de copula (paring) van mijn Katrinus macklotti.
Hieronder links zie je de eieren van de vrouw, rechts zie je de baby`s uitkomen.
Op de foto hieronder zie je de copula van mijn Chonronpython virides ( aru )

 |
Op de foto hiermaast zie je hoe de vrouw van de Chonronpython virides ( aru ) zich om haar net gelegde eieren heeft heen gewikkeld. |
Ziekten:
Hier wil ik graag verschillende ziektes bespreken, en mij dan beperken tot de ziekten die veroorzaakt worden door bacteriën, parasieten en schimmels.
Iedere slangenhouder zal er ooit wel mee te maken gaan krijgen.
Over het algemeen is een slang een zeer sterk dier dat veel kan hebben voordat het een medische behandeling nodig heeft.
Een ervaren slangenhouder zal meestal aan het gedrag van zijn dieren kunnen zien of deze iets mankeren of niet.
Het is dan ook altijd aan te raden dat, als je denkt dat je dieren ook maar iets mankeren, je de hulp van een dierenarts inroept.
Ook is het zeer verstandig om je zieke slang apart te huis vestigen, omdat de meeste ziekten en bacteriën vaak zeer besmettelijk zijn.
Zo`n ziekenboeg voor de slangen kun je heel simpel inrichten.
Zorg in het terrarium alleen maar voor een schuilplaats, en een ruime waterbak (waar ze geheel in kunnen liggen).
Als het om een boomslang gaat, dan moet er uiteraard ook een stevige klimtak inzetten.
Op de bodem kun je het beste een stuk krantenpapier leggen, omdat de inkt van de kranten een aantal bacteriën zal doden, en omdat het gemakkelijk te verwijderen is.
Zorg ook voor een optimale temperatuur en luchtvochtigheid.
Een aantal symptomen waaraan je zou kunnen zien dat de slang ziek is, zijn:
Het weigeren van voedsel:
Houd er wel rekening mee dat dieren die onder stress staan door b.v. een verplaatsing naar een ander terrarium, vaak ook niet willen eten.
Houd ook in de gaten of ze niet in vervelling liggen, winterslaap, paartijd of dat de vrouw zwanger is, omdat ze op die tijden ook geen voedsel tot zich zullen nemen.
Braken:
Braken wil ook niet altijd op een ziekte duiden omdat als een slang een te grote prooi heeft gegeten, of de prooi achterste voren heeft opgegeten, er ook kans is dat ze gaat braken.
De temperatuur speelt hierin ook een belangrijke factor mee, omdat die niet te hoog of te laag mag zijn.
Pas ook op wanneer een slang pas gegeten heeft je haar niet te ruw oppakt of verstoort.
Als een slang éénmaal gebraakt heeft is het verstandig om het dier de eerste twee weken niet meer te voeren.
Geen normale ontlasting:
Als je de dieren in hoofdzaak alleen maar vis of gevogelte voert, hoeft je bij een dunne vloeibare slijmachtige ontlasting, die erg vies ruikt, niet direct aan een ziekte te denken omdat deze prooidieren heel erg licht verteerbaar zijn.
Het grootste probleem vormt bij slangen de ziekten aan het maag- darmkanaal.
Pseudomonas is hiervan vaak de oorzaak van, en komen vaak bij pas geïmporteerde dieren voor, doordat deze vaak erg verzwakt zijn van de lange reis, en door het niet kundig verzorgen van de handelaren.
Een kenmerk hiervan is vaak de dikke geelachtige, en op kaas lijkende etterlagen in de bek, die vaak diepe wonden veroorzaken.
Ook Flagellaten is hier vaak een veroorzaker van bij de pas geïmporteerde dieren.
Een kenmerk hiervan is dat ze mager worden en braken, en op den duur er Pseudomonas aan overhouden, totdat het de dood als gevolg heeft.
Bij slijm in de bek is het verstandig om ze 1 x te behandelen tegen Flagellaten, waarna met 2 dagen het slijm weg moet zijn, zoniet is er wat anders aan de hand.
Wormen en de wormeieren herken je vaak aan de vies ruikende, groen en slijmachtige ontlasting.
Al deze symptomen kun je in een beginnend stadium al ontdekken, doordat de meeste dieren geen voedsel meer zullen accepteren en door het op braken van half verteerde prooidieren. Was, nadat je kontact hebt gehad met de slangen, altijd goed je handen omdat de kans groot is dat je de bacteriën van de zieke dieren overbrengt op de gezonde dieren.
Maar dit is ook in je eigen veiligheid, omdat een slang ook hoge percentage salmonellabacteriën bij zich kan hebben, en deze soms bij de mens tyfus kan veroorzaken. Meestal hebben deze salmonellabacteriën geen gevaarlijke uitwerking op de mens, omdat de salmonella`s bij reptielen, dikwijls tot de typen behoren, die uitsluitend alleen maar in de warme landen voorkomen en waarvan de overdracht op de mensen in onze breedtegraad slechts zelden voorkomt.
Bij 40% van bijna alle reptielen kunnen de kiemen van de Salmonella bacterie worden geïsoleerd, en hebben dan ook geen betekenis voor deze dieren, omdat ze tot de normale darmflora behoren.
Waar je ook goed voor moet oppassen zijn schimmels (Mycosen).
Schimmels ontstaan meestal door beschadigingen aan de huid.
Bij schimmels moet je de grond zo droog mogelijk te houden.
De meeste schimmels beginnen aan de buikzijde en hebben dan bruine vlekken op enkele schubben, die snel groter worden en ten dele kaasachtig of met bloed doorlopen zijn.
Houd dit proces goed in de gaten, omdat dit erg snel kan gaan en binnen enkele weken kan de hele buikzijde aangetast zijn.
Wat ook zeer vaak bij slangen voorkomt zijn ziekten veroorzaakt door parasieten.
Een parasiet is een diervorm die in of op andere dieren leven, en vaak gaat dit dan ook ten koste van hun gastheer.
De meeste schade die de parasieten veroorzaken zijn doordat ze voedingsstoffen aan hun gastheer onttrekken, maar nog meer schade brengen ze aan door de afscheiding van hun eigen stofwisselingsproducten, die meestal een giftige uitwerking heeft.
Ondanks dat de gastheer zelf probeert om een afweersysteem te mobiliseren, zal het haar zelden lukken om de overhand te krijgen over de indringers.
Als parasieten komen de volgende diervormen in aanmerking:
- Eéncelligen (Protozoën)
- Wormen (Helminthen)
- Zuigwormen (Trematoden)
- Bandwormen (Cestoden)
- Draadwormen (Nematoden)
- Mijten en Teken (Acari)
- Tongwormen (Pentastomiden)
Hieronder
zie je de man van mijn Morelia spilota cheynei die zichzelf letterlijk en figuurlijk in de knoop heeft gelegd tijdens het eten.
Pythons:
De soorten die ik momenteel bezit staan hieronder aangegeven.
( 1.0 is het aantal mannen en 0.1 is het aantal vrouwen ).
1.1 Antaresia childreni – Children`s python (100% zuiver Antaresia childreni….. geen kruising !!!)
1.1 Boa c. salmon (Rich Ihle - Amerika)
1.1 Boa c. 100% hetrozygoot voor albino coral (Genetic- Gems - Engeland)
1.1 Elaphe guttata guttata snowcorn
1.3 Morelia spilota Bredli (U.K. Python - Paul Harris - Engeland & Scaly Jewels - Duitsland))
1.1 Morelia spilota caramel (100% Caramel…..geen cruising !!!) ( Sarl ABC Animalerie, Frankrijk)
1.1 Morelia spilota cheynei (F.N. Reptiles – Nederland)
0.2 Morelia spilota cheynei striped (F.N. Reptiles – Nederland)
1.1 Morelia spilota cheynei High Yellow (SRR Sunrise Reptiles - Nederland)
1.1 Morelia spilota crossing (50% Diamant) (U.K. Python - Paul Harris - Engeland)
1.1 Morelia spilota Iran jaya (ook wel Harrisoni of Macropsila genoemd) (Piet Nuyten - Nederland)
1.1 Morelia spilota mcdowelli (okergele variant)
1.1 Morelia spilota variegate
Omdat ik door tijd en ruimte gebrek mijn slangenkamer, met toen ruim 140 dieren, helaas heb moeten wegdoen kon ik het toch niet laten om na ruim 3 jaar weer een kamertje op te offeren en daar een aantal terrariums te maken.
Momenteel bezit ik Boa`s, Pythons en zijn de Elaphe`s van mijn zoontje..
Met deze collectie slangen heb ik al een aantal malen succesvol gekweekt en hoop dat in de toekomst te blijven doen.
Mocht je interesse hebben bij nakweek van één van mijn soorten, neem gerust contact met ons op.
Alle jonge dieren gaan uiteraard etend en met de benodigde papieren weg .
Hieronder behandel ik enkele van mijn Python soorten die ik momenteel bezit.

Pythons en Boa`s behoren tot de familie reuzenslangen ondanks dat er ook kleine Pythons en Boa`s zijn.
De belangrijkste verschillen tussen boa's en pythons zijn:
- Pythons hebben een zogenaamd pitorgaan terwijl de meeste Boa`s dit niet hebben.
Dit met uitzonderingen van de soorten Epicrates en Lichanura.
- Pythons hebben twee rijen schubben onder de cloaca en boa's slechts één rij.
- pythons leggen eieren (ovipaar), en boa's zijn eierlevendbarend (ovivipaar).
Pythons komen voor in: Afrika, Azië, Oceanië en 1 soort komt voor in Centraal – Amerika.
Antaresia (Deze familie viel voorheen onder de familie Liasis):
De familie van de Antaresia bestaat uit een aantal zéér klein blijvende python soorten en zijn allen afkomstig uit Australië.
Alleen hebben zij allemaal verschillende verspreidingsgebieden.
De meest voorkomende soort in de Nederlandse handel is de Antaresia maculosa.
De in Nederland wat minder voorkomende en kostbare soorten zijn de Antaresia childreni en de Antaresia perthensis.
De Antaresia perthensis is de kleinste python ter wereld.
De Antaresia childreni is een kleine python en ze wordt iets meer dan een meter.
In het begin van de jaren 90 was deze slang erg populair helaas is dat op dit moment niet meer het geval.
De oorzaak van die impopulariteit is waarschijnlijk te danken aan het feit dat mensen toch de grotere pythons willen verzorgen.
Daar komt nog bij dat de Children's python niet echt een hele mooie slang is.
Ze is vaak bruinig van kleur en niet zo spectaculair gekleurd als sommige andere slangensoorten.
De Antaresia childreni is een slang die erg vreedzaam, makkelijk te hanteren en te huisvesten is.
Wil je een niet zo'n grote slang, maar wel een python?
Dan is vooral de Children's python een goede keuze.
De familie Antaresia bestaat uit vier ondersoorten:
01 Antaresia childreni:
Dit soort noemen ze ook wel de Children`s Python.
De childreni kan een lengte halen van maximaal ongeveer een meter en wordt vaak verward met de Antaresia maculosa.
Doordat beide soorten zo goed als dezelfde kleurtekening hebben zijn ze moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Het grootste verschil is dat de childreni meer schubben heeft op haar kop.
De childreni kan een volwassen muis opeten.
02 Antaresia maculosa:
De maculosa wordt ook wel de Spotted python genoemd.
Ook dit soort wordt vaak met de childreni verward en ook hier geldt weer dat dit soort te onderscheiden is van de childreni door schubtelling.
De maculosa heeft minder schubben op de kop dan een childreni.
De maculosa dieren uit Cape York, Peninsula, het Noordelijke gedeelte hebben gemiddeld 317,5 schubben.
Dit zijn de dorsale en ventrale schubben bij elkaar opgeteld.
Mochten de dieren uit het Zuidelijke deel komen dan is het gemiddelde aantal schubben 301,3 bij elkaar opgeteld.
Dit soort kan maximaal een lengte bereiken van 120 cm en dan eten ze met gemak een volwassen muis weg.
De vrouwen leggen zo`n 6 tot 18 eieren.
03 Antaresia perthensis:
Ook wel de Pygmee- of Ant Hill Python genoemd.
De naam Pygmee Python hebben ze te danken omdat het een enorm klein blijvend soort is.
De naam Ant Hill Python danken ze aan het feit dat ze vaak in termietenheuvels gevonden worden in West Australië.
Het is de kleinst blijvende Python van de wereld en ze wordt zelden groter dan 60 cm.
De vrouwtjes leggen zo`n 2 tot 10 eieren.
Het is één van de mooiste dwerg Pythons om te zien en dat heeft ze te danken aan haar vlekkentekening en haar volrode kleur.
Meestal eet dit soort niet groter dan een springer muisje.
04 Antaresia stimsoni:
In 2000 heeft Raymond Hoser het soort Antaresia stimsoni herzien.
Hij beschreef Antaresia stimsoni orientalis als de nominaat ondersoort en hij noemde deze Antaresia saxacola saxacola.
Ook hernoemde hij het ondersoort Antaresia stimsoni stimsoni als de Antaresia saxacola stomsoni.
Zo beschreef hij ook een nieuw ondersoort de Antaresia saxacola campbelli.
Dit ondersoort komt voor in het uiterste westen van South Wales en in de nabij gelegen delen van South Australia en Westelijk Queensland.
De ondersoort is gescheiden van de andere ondersoorten door zijn verspreidingsgebied.
Ook kan hij onderscheiden worden van de andere ondersoorten door zijn zachter rode en minder contrasterende kleur met een fijner patroon.
De snuit heeft een minder vierkant vooraanzicht dan die van de andere ondersoorten. Raymond Hoser`s herzieningen zijn niet algemeen geaccepteerd.
Voornamelijk omdat zijn herzieningen van een aantal andere geslachten dan Antaresia als controversieel worden beschouwd.
Toch heeft Raymond Hoser naar de meeste meningen het bij het rechte eind wat betreft de beschrijving van het nieuwe ondersoort Antaresia stimsoni campbelli.
Bij de acceptatie van de ondersoort Antaresia stimsoni campbelli zouden we de dieren die we nu Antaresia stimsoni oriëntalis benoemen tot deze ondersoort behoren.
De Antaresia stimsoni oriëntalis wordt ook wel de Centrale Stimson`s Python genoemd en is één van de twee ondersoorten.
De andere is de Anteresia stimsoni stimsoni en die wordt ook wel de Westelijke Stimson`s Python genoemd.
Van een volwassen dier is de gemiddelde grootte rond de 100 cm. maar er zijn lengtes van 140 cm. vermeld.
De ondersoorten vertonen een grote variatie in uiterlijk.
Dit is niet echt opzienbarend aangezien haar enorme verspreidingsgebied.
De grondkleur varieert van lichtbruin tot middenbruin.
De vlekken variëren in kleur van roodbruin tot donkerbruin.
Kenmerkend van de stimsoni is de bleke laterale streep op beide zijden van het voorste derde van het lichaam wat je ook kunt zien bij de stimsoni en sommige childreni`s.
De centrale Stimsoni Pythons komt voor van het midden Westren Australië oostwaarts door het zuiden van Northern territory en het noorden van South Australië tot in het westelijke deel van de Great Dividing Range in Queensland en New South Wales.
De Centrale Stimson`s Pythons leven in habitats zoals grassige savanen,, bosrijke gebieden, open droge bossen, rotsachtige gebieden, termietenheuvels en zandvlakten.
Het voedsel van de wilde Centrale Stimsoni`s Python bestaat uit kikkers, hagedissen, knaagdieren, vogels en vleermuizen.
Dieren die in gevangenschap worden gehouden kun je het beste met muizen en kleine ratjes voeren.
Antaresia childreni – Children`s python:
Op de foto hierboven zie je links de man en rechts de vrouw van mijn volwassen Antaresia childreni`s.
Op de vier foto`s hieronder zie je van links naar rechts:
Paring, vrouwtje met gelegde eieren, de eieren, één net geboren baby.
De Antaresia childreni is voor het eerst geclassificeerd door Gray in 1842 en viel tot in de jaren 90 nog onder de Liasis familie (Liasis childreni).
In het wild eten childreni`s vooral, hagedissen, kikkers en vleermuizen.
In een terrarium kun je haar proberen om de gebruikelijke voederdieren geven zoals b.v.: muizen en ratjes.
Wil de python niet eten, dan kun je hagedissen voeren, vaak pakt hij die wel.
Je kunt ook een jonge nestmuis nemen en die instrijken met de geur van een dode hagedis.
Jonge childreni`s kun je één keer per week een nestmuisje of nestratje voeren.
Het prooidier mag de doorsnee hebben van de maximale doorsnee van de slang.
Volwassen dieren mag je één keer per weken een volwassen muis of jonge rat voeren.
Je kunt de prooidieren zowel dood als levend aan childreni`s voeren .
Verwijder zo snel mogelijk alle ontlasting uit de terrariums.
Dit voorkomt een explosie aan bacteriën.
De Childreni komt voor van het Kimberley district in Western Australie, door het noordelijke deel van de Northern Territory, tot aan de zuidwest kust van de Golf van Carpentaria.
Zij komt ook voor op vele eilandjes voor de kust en leeft daar in de boslanden en in de buurt van heuvels.
* Katrinus mackloti – Macklot`s python (voorheen Liasis mackloti):
Op bovenstaande foto zie je twee van mijn drie volwassen Katrinus mackloti`s.
(Links zie je de man en rechts de vrouw)
De Liasis mackloti mackloti is voor het eerst geclassificeerd door Dumeril & Bibron 1844.
In oktober 2000 publiceerde Raymond Hoser de nieuwe genetische naam Katrinus toe aan de Liasis soorten.
De naam Katrinus komt doordat de kleindochter van Raymond Hoser ook die naam draagt.
Hoser behield de volgende taxonomie in zijn concept voor het genus Katrinus.
Liasis fuscus (fuscus) Peters, 1873,
Liasis fuscus cornwallisius Gunther, 1879,
Liasis mackloti [mackloti] Dumeril and Bibron, 1844,
Liasis mackloti dunni Stull, 1932,
Liasis savuensis Brongersma, 1956.
De Liasis mackloti ie een erg mooi en groot soort, die ondanks haar grote, dikte en lengte, toch makkelijk te houden zijn.
Ook in de omgang zijn is dit soort totaal niet agressief
Dit soort kan onderling erg van kleur verschillen.
Zo kan de ondergrond kleur variëren van donkerbruin tot geelachtig.
Ook de stippen op haar lichaam kunnen erg variëren van geel tot zwart.
Het enigste wat deze soort allemaal gelijk heeft is dat wanneer de zon op hun lichaam schijnt ze allemaal een prachtige regenbooggloed hebben.
De kleur van de buik van dit soort kan van licht tot donker geel variëren.
Het voedsel van dit soort bestaat uit grote knaag- en zoogdieren en vogels.
De jonge dieren eten in het wild ook wel anolissen en gecko`s
De Liasis mackloti heeft net zoals de meeste Python soorten een duidelijk afgescheiden kop van de rest van haar lichaam.
Dit soort heeft een vrij grote kop die gemiddeld wel 6 cm. lang kan worden bij de volwassen dieren.
Een volwassen Liasis mackloti vrouw kan een lengte bereiken van gemiddeld 2,8 meter.
De volwassen mannen worden meestal niet langer dan 2,5 meter.
De Liasis mackloti mackloti vind je op het eiland Lesser Sunda eilanden van Indonesië tot het Westen van New Guineà.
Dit is inclusief de eilanden Timor, Semao en Wetar.
Het is echter niet 100% zeker of de Liasis mackloti die je aantreft op Semao hetzelfde ondersoort is als de Liasis mackloti die gevonden zijn op Timor.
Dit soort leeft daar voornamelijk in de tropische regenwouden.
Je zult dit soort vaker op grond tussen het bladerenafval vinden als in de takken van de bomen.
Morelia:
Tapijtpythons komen voor in het noorden en oosten van Australië maar ook op sommige plaatsen van Nieuw - Guineà.
De tapijtpython heeft een brede biotoop; van vochtige bossen tot open, zanderige vlakten.
Er zijn twee soorten bekende tapijtpythons die elke slangenliefhebber kent.
Dat zijn de Morelia spilota spilota (diamant python) en de Morelia spilota variegata (de gewone tapijt/ruitpython).
De tapijtpython heeft echter meerdere ondersoorten en die staan hieronder aangegeven:
- Morelia bredli. (bredls python)
- Morelia spilota carinata
- Morelia spilota cheynei. (Jungle tapijtpython)
- Morelia spilota harrisoni (Papua tapijtpython)
- Morelia spilota imbricata. (Zuidwestelijke tapijtpython)
- Morelia spilota macropsila (Irian jaya tapijtpython)
- Morelia spilota mcdowelli (incl.jaguar). (Oostelijke tapijtpython)
- Morelia spilota metcalfei. (Inlandse rivieren tapijtpython)
- Morelia spilota spilota. (Diamantpython)
- Morelia spilota variegata (Noordelijke tapijtpython)
De tapijtpython kent vele verspreidingsgebieden in Australië welke onderling erg kunnen verschillen van elkaar.
We kennen zeer warme gebieden met een hoge luchtvochtigheid zoals de regenwouden, maar we kennen ook de droge en zanderige gebieden waar het erg warm kan worden.
Net zoals de Amerikaanse Rattenslangen leven ook deze dieren vaak in de buurt van de mens.
Daar is meestal voedsel genoeg aanwezig en ze kunnen zich daar goed schuilen voor de invloeden van de natuur.
Veel voorkomende plekken zijn: schuren, kelders, zolders en andere donkere plekken in huis. De slangen zullen zich overdag uit hun schuilplaatsen ontrekken om een plek te zoeken waar ze zich kunnen opwarmen door de zon omdat slangen warmte van buitenaf nodig hebben om genoeg energie te verkrijgen.
Veel voorkomende plaatsen waar ze zich lekker kunnen opwarmen zijn: daken, wegen en andere plekken waar ze snel op temperatuur kunnen komen.
Meestal is dit vroeg in de ochtend of later in de middag om de felle zon te ontlopen.

De Morelia spilota imbricata-, metcalfi-, mcdowelli-, spilota en variegata komen uitsluitend voor in Australië.
Maar er is ook nog een vorm van de eilanden van Nieuw Guineà, de Morelia spilota variegata of terwijl de Irian Jaya.
Ondanks dat de tapijtpythons nachtactieve slangen zijn kun je ze overdag ook wel in beweging zien.
Er zijn tapijtpython soorten die rond de 150 cm worden, maar er zijn ook soorten die rond de 3 meter kunnen worden.
Dit verschilt echter weer per ondersoort.
Een slang is geen knuffeldier maar als je ze van jongs af aan veel hanteert, kunnen ze er aan wennen dat ze met regelmaat worden opgepakt zonder dat de slang dan agressief wordt en dan zijn ze een stuk beter hanteerbaar.
De slang zal vaak opzoek gaan naar voedsel in de bomen of laag bij de grond in de bosjes.
Slangen zijn zoals ze ook wel noemen "ambush" dieren.
Dit houdt in dat een slang een passieve jager is en op een centrale plek gaat liggen wachten tot er een prooidier voorbij komt zodat ze deze dan zullen grijpen.
Op zoek gaan zoals vele Elaphe soorten doen de Morelia`s niet.
De slang zal haar voorste deel van het lichaam opkronkelen tot de bekende "S" vorm en kan zo uren blijven wachten tot er een prooi voorbij komt.
Dit gedrag vertonen de slangen ook in gevangenschap.
Meestal gaan ze op een strategische plek liggen waar regelmatig prooidieren voorbij komen. Dit weet de slang doormiddel van urine sporen op de grond.
* Morelia spilota bredli - Bredl`s Python.
De Morelia spilota bredli is voor het eerst geclassificeerd door Gow in 1981.
Die naam is later vertaald tot Bredl`s morelia in memoriaal van Joe Bredl die herpetologist en slangen park beheerder beheerder was van Renmark, in Zuid Australië.
Op de foto hierboven zie je één drie mijn volwassen vrouwelijke Morelia spilota bredli (1.3).
De ondergrond kleur van de Bredl´s python is variërend van oranjerood tot roodbruin met kleine en fijne schubben.
Ze hebben zwart omlijnde, gele of crèmekleurige markeringen.
De buik is wit of crèmekleurig van kleur.
De kop is onderscheiden van een lange en slanke nek.
Ze hebben een wit gekleurde kin die langzaam verbleekt en overgaat in de lippen van de Breli.
Dit soort heeft erg donkere ogen met een zwarte iris die een zware zilverkleurige, gele of goudkleurige gloed bevat.
De tong is donkerblauw van kleur bij dit soort.
Het lichaam is fundamenteel rond en loopt langzaam smal toe tot een lange staart die kenmerkend is voor het Morelia soort.
Volwassen Bredl`s hebben een grote, brede kop met een dikke nek die lichamelijk een aanzienlijke hoeveelheid massa kan bereiken.
Een volwassen Morelia spilota bredli wordt gemiddeld 150 – 200cm, maar er zijn ook volwassen dieren gemeten met een lengte van 265 cm.
Opvallend is dat de in het wild voorkomende Bredl`s vaak lichter van kleur zijn en meer rood hebben dan de in gevangenschap gekweekte Bredl`s.
Het verspreidingsgebied van dit soort is relatief klein.
Ze komen alleen voor in het zuiden van Northern Territory, Pitchie Park en Alice Springs.
De bergen van de MacDonnell Ranges vormen hierbij het centrum van het verspreidingsgebied.
Toch komen ze ook wel in enkele andere bergketens rondom de MacDonnel Ranges voor zoals de James Range en de Hart Range.
Ze komen vaak niet verder dan 400 km. van de MacDonnel Ranges verwijderd voor.
De Morelia spilota bredli kun je vinden in rotsachtige gebieden en langs waterwegen waarbij ze ook hun tijd doorbrengen in bomen.
Dit soort zoekt zijn beschutting meestal in rotsspleten, grotten, konijnenholen en holle bomen.
In het wild voeden de Bredl’s zich met verschillende soorten zoogdieren en vogels.
In gevangenschap wordt ze vaak met ratten en muizen gevoerd.
Maar ook vogels, konijnen en cavia’s kunnen geschikt voedsel zijn.
* Morelia spilota cheynei - Jungle tapijtpython.
De Cheynei is voor het eerst geclassificeerd door Wells and Wellington in 1984.
De Nederlandse vertaling voor de Morelia spilota cheynei is "Cheyne's gevlekte python", dit ter ere van Cheyne Wellington.
Deze Cheynei heeft de slang voor het eerst duidelijk beschreven en onderverdeeld in het
genus Morelia.
Hierboven links staat mijn M.s. cheynei vrouw afgebeeld, en rechts de man (1.1).
Hieronder links staat mijn andere koppeltje M.s. cheynei (high yellow) afgebeeld met op de rechter foto de man.
Cheynei’s zijn bekend om hun mooie kleuren combinatie van zwart en geel.
De patronen van deze dieren kunnen onderling enorm verschillen van zowel gebandeerd, gestreept, etc. etc.
De kleuren kunnen bestaan uit een gele, lichtgeel of bruine ondergrond met zwarte, donkerbruine vlekken of van goud, lichtgeel, lichtbruin tot aan gebroken wit.
Door de enorme verschillen zijn daarom sommige dieren moeilijk te "identificeren" voor iemand die niet thuis is in de "Morelia Wereld".
Ze hebben een duidelijk koppatroon, een preoculaire streep over het gezicht van achter het oog tot op de neus en een duidelijke streep op de lippen.
Het leefgebied van de cheynei’s ligt midden in het leefgebied van de mcdowelli’s.(ze overlappen elkaar waaruit mooie kruisingen kunnen voortkomen).
Doordat volwassen cheynei`s rond de 150/180 cm. worden en enorme contrastrijke dieren zijn bieden ze vele interessante opties met ander spilota`s.
De cheynei is erg populair bij Amerikaanse kwekers waar de dieren selectief worden uitgezocht op hun kleuren, om zo tot een mooie kweeklijn te komen.
Het enigste nadeel van de cheynei is dat ze een wat pittiger karakter heeft dan de andere spilota vormen.
Het verspreidingsgebied van de cheynei ligt in Australië waar ze voorkomen in het "natte deel" van de Atherton Tablelands.
De Atherton Tablelands rondom Cairns staan bekend om hun veelzijdige natuur en vele watervallen in het Noordoosten van Queenslanden Cape York.
De cheynei heeft in vergelijking tot de andere Morelia soorten het kleinste verspreidingsgebied en is vaak moeilijk te vinden in het wild.
* Morelia spilota macropsila - IranJaya tapijtpython:
De Morelia spilota macropsila wordt tegenwoordig ook wel Morelia spilota harrisoni of Morelia spilota Iran Jaya genoemd.
Hun verspreidingsgebied ligt in Iran Jaya, Nieuw Guineà en Indonesië.
De Iran Jaya kan hetzelfde worden gehouden als de meeste andere tapijtpythons.
Het terrarium wordt voorzien van een stevige waterbak en enkele klimtakken omdat ze daar graag gebruik van maken.
De bodem kun je het beste bedekken met iets dat makkelijk te reinigen is zoals kranten of beukensplit.

Op de foto`s hierboven zie twee vrouwen van mijn vijf Macropsila`s (1.4)
De morelia spilota macropsila is een mooie tapijtpython die vaak niet langer wordt dan 150 cm.
Vaak is dit soort voor een redelijke prijs te koop.
Ook zoals de andere Morelia soorten ondergaat ook de Macropsila een kleurverandering naarmate ze ouder wordt.
Ze hebben volwassen vaak een mooie rood- bruinachtige ondergrondkleur met een okergele bandering.
* Morelia spilota mcdowelli – Kust tapijtpython:
De mcdowelli is voor het eerst geclassificeerd door Wells and Wellington in 1984.
De Morelia spilota mcdowelli is een perfecte keus voor slangenhouders die wel een grote en forse slang willen hebben, aangezien de mcdowelli tot de grootste tapijtpython hoort van Australië.
Mocht je het formaat van een volwassen tijgerpython te groot vinden dan is de Morelia spilota mcdowelli een perfecte keus.
Dit diersoort wordt gemiddeld rond de 2.50 meter en zijn als ze volwassen zijn vrij rustig en goed handelbare dieren op enkele uitzonderingen na.
Hierboven zie je links de man, en rechts de vrouw van mijn volwassen Morelia spilota mcdowelli`s (1.1).
Deze pythonsoort komt voornamelijk uit Australië, maar één van de ondersoorten komt ook voor op het eiland Irian Jaya en waarschijnlijk Papua Nieuw - Guineà.
Het verspreidingsgebied van dit soort loopt van Oost Queensland, Coffs Harbour in noordoost New South Wales tot aan Cape York ver in het noorden van Queensland Australië.
Natuurlijk zou je deze slangen ook in de omgeving van hun verspreidingsgebied kunnen vinden.
Maar het wil nog wel eens gebeuren dat de soorten elkaars levensgebied overlappen.
Het leefgebied van de cheynei’s ligt midden in het leefgebied van de mcdowelli’s.
(Ze overlappen elkaar waaruit mooie kruisingen kunnen voortkomen).
 |
 |
De jonge Morelia spilota mcdowelli kunnen vrij happerig zijn maar naarmate ze ouder worden zal dit afnemen.
Ze leven er meestal op de grond, maar het zijn ook goede klimmers en zelfs zwemmers.
De meeste dieren die in het wild wordt gevonden bevinden zich langs de kust in vrij dicht begroeide gebieden.
De mcdowelli heeft een grote en brede kop die duidelijk van het lichaam gescheiden is.
De kop bevat een lichtbruine vervaagde tekening met een lichtbruine preoculare streep over de kop van achter het oog tot aan de neus.
De mcdowelli heeft een witte tot grijze of geelachtige ondergrond waarop een groot aantal roestbruine of zwarte gebandeerde vlekken of strepen te zien zijn.
Het zijn zeer rustige dieren die zelden tot nooit bijten.
Ze hebben een redelijk lange staart die hun goed van pas komt tijdens het klimmen en dat is iets wat ze dan ook graag doen.
Het nadeel van de tapijtpythons momenteel is dat er door de laatste jaren met diverse soorten tapijtpythons gekruist is het haast niet met zekerheid te zeggen om welk ondersoort het gaat.
Zelf ben ik ook in het bezit van een Morelia spilota mcdowelli ondersoort koppel genaamd Caramel kust tapijtpython.
De dieren die ik in mijn bezit heb zijn 100% Caramel en geen kruisingen.
Op de foto hierboven zie je één (vrouw) van mijn koppel 100% Caramel kust tapijtpython (1.1).
* Morelia spilota spilota - Diamantpython:

Op bovenstaande foto zie je een diamantpython (dit is geen dier dat in mijn bezit is).
De Morelia spilota spilota is voor het eerst geclassificeerd door Lacépède, 1804.
We kennen twee ondersoorten Morelia spilota spilota (Diamantpython) en de Morelia spilota variegata (Tapijtpython).
Het is een nachtactieve slang die overdag ook wel in beweging komt.
De Diamantpython heeft een donkergroene tot zwarte ondergrondkleur wie bedekt worden met witte tot gele rozetten.
Het patroon van deze dieren lijken op die van een diamand en loopt van kop naar staart.
Vandaar ook de Nederlandse naam Diamantpython.
De buik is wit tot geel met daarop zwarte vlekken maar aanzienlijk minder dan op de rug.
Dit soort kan een lengte halen van wel drie meter lang maar gemiddeld wordt ze rond de twee meter lang.
De mannetjes blijven kleiner dan de vrouwtjes
Ook zijn er hybriden met andere ondersoorten van de Morelia spilota.
Maar deze zijn meestal in gevangenschap gekweekt.
Vaak heeft deze ondersoort een zwart- geel gebandeerde tekening.
De Diamantpython is een vrij moeilijk soort om in gevangenschap te houden en te kweken door de lage temperatuur die ze nodig hebben.
Het kweken met dit soort is een absolute uitdaging omdat je dit soort erg laag moet afkoelen.
In het wild worden ze ook blootgesteld aan de koude nachten van Australië.
We hebben het dan over temperaturen van wel 5 °C die dit soort zeer goed aankan omdat ze hier goed op aangepast zijn.
Dit soort heeft een andere temperatuur nodig dan de meeste van de Morelia soorten.
De Morelia spilota spilota is waarschijnlijk één van de mooiste pythons op de wereld waardoor vele Morelia houders dit soort graag aan hun collectie zouden willen toevoegen.
Dit soort heeft een mild karakter en zal bijna nooit happen naar de “baas”.
Het is een rustig soort en zeer goed hanteerbaar.
Deze dieren hebben een grote feeding response en gebruiken hiervoor ook een heleboel energie en kracht voor.
In het wild zul je ze meestal in de bomen aantreffen maar af en toe ook op de grond.
Dit is meestal alleen maar om een geschikte zonplek te zoeken zodat ze energie opbouwen voor de nacht als ze op jacht gaan naar voedsel.
* Morelia spilota ssp - Crossings (kruising tussen de Diamant & Cheynei):
Tegenwoordig wordt de Morelia spilota spilota veel gekruist met de Morelia spilota cheynei.
Dit geeft vaak een zeer mooie Morelia spilota cheynei variant met de naam Morelia spilota spp. (spp. staat voor subspieces wat in het Nederlands betekent ondersoort)
De grondkleur van deze “crossings” is zwart.
Verder heeft dit soort zowel grote,als kleine gele of witte vlekken in de vorm van een diamant.
Bij de crossings zitten er vaak meerdere diamanten aan elkaar waardoor het vaak lijkt alsof ze gestreept zijn.
Deze samengesmolten diamanten kunnen zich zowel midden op de rug bevinden als op de flanken aan de zijkant van dit soort.
Hierboven zie je links de vrouw, en rechts de man van mijn Morelia spilota ssp 50% Crossing (1.1).
Hieronder zie je één van mijn vrouwen Crossings 75% (2.3)

Bij soort vind ik het zelf wel belangrijk dat ik weet uit welk verspreidingsgebied de ouderdieren komen zodat je de nakweek baby`s hiervan op de juiste temperatuur kunt houden.
Toch is mijn ervaring dat je de “crossings” ongeveer op dezelfde manier kunt houden als de Morelia spilota cheynei en zowel qua huisvestiging als temperatuur (25 á 30 °C)
Jonge Morelia s. spp. kun je het beste gescheiden houden in een niet te groot terrarium of curverbox met een schuilplaats erin.
Morelia spilota variegata – Noordelijke tapijtpython:
De Morelia spilota variegata is voor het eerst geclassificeerd door Gray in 1842.
Dit soort was eerder bekend onder de naam Morelia spilota variegata en als de Iran Jaya tapijtpython en als de New Guineà tapijtpython maar de naam is nu omgedoopt tot Morelia spilota harrisoni en als de Papua carpetpython.
Hier boven op de foto mijn volwassen Morelia spilota variegata vrouw.
Dit soort kun je vinden op een klein punt van het eiland Iran Jaya en in de omgeving van Merauke.
Het kleine leefgebied van dit soort is meestal begroeit met Eucalyptes bomen die worden afgewisseld met open vlaktes.
De Morelia spilota variegata is een zeer mooie tapijtpython die je vaak voor een redelijke prijs kunt kopen.
Net zoals alle Morelia soorten ondergaat ook de variegata een kleurverandering naar mate ze ouder worden.
Deze dieren hebben op jongere leeftijd een roestrode tot bruinachtige ondergrondkleur met een onregelmatige banderingspatroon die varieert van zwart tot bruin en van geelachtig tot oranje- goudkleurig.
Meestal kleuren ze op latere leeftijd van roodachtig naar de mooie bruin tot oranjeachtige ondergrondkleur met gele tot donkerbruine banden.
Ze hebben een duidelijke koptekening met een streep over de kop van het ene oog naar het andere oog en een streep van achter het oog tot voor op hun neus.
De lippen zijn erg duidelijk zichtbaar met kleine schalen op hun bovenlip.
Volwassen dieren kunnen een lengte bereiken van 1.30 cm. tot 2.00 cm.
Het voedsel in het wild van dit soort bestaat uit kleine zoog- en knaagdieren.
In gevangenschap gehouden dieren zullen het goed doen op ratten en muizen die zowel levend als dood aan de slang kunnen worden aangeboden.
Mannetjes van de Morelia spilota variegata zijn seksueel volwassen met een leeftijd van rond de twee jaar oud.
De vrouwtjes zijn dit pas na vier á vijf jaar, afhankelijk van de grote en van het gewicht van het dier.
Dit soort paart tijdens de koelere winterperiode, waarbij het mannetje gebruik maakt van zijn sporen, welke bij de cloaca zitten, om het vrouwtje te stimuleren om te willen paren.
Na de paring zal het vrouwtje ongeveer na twee maanden haar tien tot twintig eieren leggen. De eieren zullen na een incubatietijd van 50 á 70 dagen uitkomen.
BUDEP (Wet Bedreigde Uitheemse Dier- En Plantensoorten):
Vanaf 1 Augustus 1995 is er in Nederland een nieuwe wet van kracht gegaan betreffende het houden van slangen en andere diersoorten.
Deze nieuwe wet vervangt de oude wet BUD (Wet Bedreigde Uitheemse Diersoorten) en is helemaal gebaseerd op de wereldwijde CITES overeenkomst.
Er worden tegenwoordig steeds meer planten- en diersoorten in onze wereld bedreigd.
De grootste oorzaak hiervan is door het vernietigen van hun biotoop, en door het uit het wild weghalen van planten- en diersoorten voor de handel.
Om te proberen die handel tegen te gaan zijn er in de laatste twintig jaar zowel op nationaal als op internationaal niveau wetten en regels opgesteld.
De CITES is de belangrijkste internationale overeenkomst om de illegale handel in bedreigde soorten tegen te gaan.
Deze CITES overeenkomst is ondertekent door 128 staten, waaronder Nederland. Vanaf 1977 is in Nederland de BUD-wet ingevoerd, en vanaf 1984 is deze BUD- wet uitgebreid om alle dieren te beschermen waarop de CITES van toepassing was.
Vanaf 1994 was het ook mogelijk om alle planten ook onder deze wetgeving te laten vallen. Deze wet hebben ze de BUDEP- wet genoemd.
In deze BUDEP-wet zitten behalve de door CITES beschermde soorten ook soorten die genoemd worden in de Flora-, Fauna-, en Habitatrichtlijn van de Europese Unie (FFH), die bedoeld is ter bescherming van bedreigde soorten en hun habitat binnen de Europese Unie.
Ze hebben bij het Verdrag van Washington twee lijsten gemaakt ( Bijlage I en II ).
Lijst I:
Direct met het uitsterven bedreigde soorten; handel hiermee is slechts alleen in buitengewone gevallen toegestaan.
Lijst II:
Dit zijn soorten die door een onbelemmerde handel met het uitsterven worden bedreigd. Handel is alleen toegestaan, met zeer strenge voorschriften.
Alle bezitters van een aangewezen plant- en diersoort hebben hierbij een ontheffing nodig. Als deze dieren weer worden verhandeld, of er wordt mee gekweekt, dan moet men er weer een ontheffing voor aanvragen.
Deze nieuwe wet bevat een aantal artikelen die regels stellen die voor iedere slangenhouder van belang kan zijn.
Deze regels gelden alleen voor de soorten slangen die ik hieronder in de Lijst noem.
Artikel 3: Het is verboden om levende
of dode slangen, zowel delen of producten ervan, in bezit te hebben,
te vervoeren, te verhandelen, tentoon te stellen, te ruilen of
ze in- of uit- te voeren.
Artikel 5: Dit artikel biedt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing van de verboden uit artikel 3.
Meestal wordt er geen ontheffing verleend voor de invoer of het verhandelen van wildvangdieren van de soorten op de volgende lijst.
In dit artikel is het wel mogelijk om een ontheffing te krijgen voor het houden of het verhandelen van nakweek dieren.
Men is echter wel verplicht om eerst de ontheffing aan te vragen en te ontvangen, voordat de uitwisseling van de dieren plaats vindt.
Artikel 12: Mensen die slangensoorten van de volgende lijst in hun bezit hadden op 1 Augustus 1995, konden schriftelijk een ontheffing aanvragen voor het houden van die slangensoorten.
Een bijzonder artikel is, artikel 3A.
De soorten die in dit artikel genoemd worden zijn door de minister aangewezen en worden op dezelfde manier beschermd als de soorten op de volgende lijst.
Het gaat dan ook om alle Anaconda`s, Boa`s en Python soorten, zover ze nog niet op de volgende lijst staan.
Voor het houden en het verkopen binnen Nederland is geen afzonderlijke ontheffing nodig. Wel moet men, als er na gevraagd wordt, kunnen aantonen dat deze diersoort al in Nederland was gekweekt of geïmporteerd voordat deze diersoort wettelijk beschermd werd.
Voor deze diersoorten dient wel een CITES certificaat en / of een in- of uitvoervergunning worden aangevraagd.
Het zijn overigens niet alleen zeldzame en dure planten- en diersoorten die in deze wetten zijn opgenomen, maar ook wel planten- en diersoorten die gemakkelijk te verkrijgen zijn.
Een bijzonder artikel is, artikel 3A.
De soorten die in dit artikel genoemd worden zijn door de minister aangewezen en worden op dezelfde manier beschermd als de soorten op de volgende lijst.
Het gaat dan ook om alle Anaconda`s, Boa`s en Python soorten zover ze nog niet op de volgende lijst staan.
Voor het houden en het verkopen binnen Nederland is geen afzonderlijke ontheffing nodig. Wel moet men, als er na gevraagd wordt, kunnen aantonen dat deze diersoort al in Nederland was gekweekt of geïmporteerd voordat deze diersoort wettelijk beschermd werd.
Voor deze diersoorten dient wel een CITES certificaat en/of een in- of uitvoervergunning worden aangevraagd.
Het zijn overigens niet alleen zeldzame en dure planten- en diersoorten die in deze wetten zijn opgenomen maar ook wel planten- en diersoorten die gemakkelijk te verkrijgen zijn.
Maar toch is het de liefhebber die er in de eerste plaats aan mee moet werken, doordat zij de met uitsterven bedreigde soorten in gevangenschap met succes weet na te kweken, stagneert de import vanzelf, omdat er dan minder vraag is naar wildvang.
De lijst:
Al deze volgende slangen vallen onder de BUDEP wet.
Van de Boidae:
- Alle soorten madagascar - boa`s genus Acrantophis
- Argentijnse boa Boa constrictor occidentalis
- Round Eiland boa Bolyeria multocarinata
- Dusummiers boa Casarea dussumieri
- Gewone slanke boa Epicrates inoratus
- Mona Eiland boa Epictates monensis
- Kleine zandboa Eryx jaculus
- Indiase tijgerpython Python molurus molurus
- Madagascar - hondskopboa Sanzinia madagascariensis
Van de Colubridae:
- Kaspische slang Coluber (Hierophis) caspius
- Hoefijzerslang Coluber hippocrepis
- Pijlslang Coluber jugularis
- Balkan - toornslang Coluber (Hierophis) laurenti
- Slanke slang Coluber najadum
- Muntslang Coluber nummifer
- Geelgroene toornslang Coluber viridiflavus
- Maskerdwergslang Eirensis modesta
- Esculaapslang Elaphe quatuorlineata
- Luipaardslang Elaphe situla
- Dobbelsteenslang Natrix tessellata
- Katslang Telescopus fallax
Van de Viperidae:
- Zandadder Vipera ammodytes
- Iberische adder (uitzondering van Spanje) Vipera seoannei
- Milos - adder Vipera scheizeri
- Spitssnuitadder Vipera ursinii
- Kleinaziatische adder ............Vopera xanthina
Voor meer informatie kunt je terecht bij:
CITES - bureau
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Postbus 20401 / 2500 EK Den Haag
Tel: 070 – 3792922 / Fax: 070 – 3478228
Nog even dit:
Toen het einde van de krijttijd naderde, zijn de reuzenslangen (fam. Boidae) ontstaan uit voorouders die klaarblijkelijk met de varaanachtige hagedissen verwant waren.
Tot de Boidae familie behoren niet alleen de grote slangen van de Nieuwe Wereld, maar ook de middelgrote en kleinere soorten.
De grootste en zwaarste vertegenwoordiger van de Boidae familie is de groene Anaconda (Eunectes murinus).
Waar die naam precies vandaan komt weet nog steeds niemand, want in Venezuela wordt hij "waterslang" genoemd, in Brazilië "Sucuri", terwijl ze haar in Frans-Guyana "Aboma" noemen, en in de andere gebieden weer "Mataoro", "Petaca", "Camudi" enz.
Maar in geen van de landen waar zij oorspronkelijk voorkomt is zij onder de naam Anaconda bekend, zelfs de Conquistadores noemden haar niet zo.
Toch is de naam Anaconda zo algemeen dat hij tegenwoordig overal te wereld zo wordt genoemd.
Door zijn enorme reusachtige lengte (tot maximaal 9 meter) en zwaargebouwde lichaam (tot maximaal 240 kilo) zijn er in de loop der jaren heel wat "wilde" verhalen over deze soort in de wereld terecht gekomen.
Zo is er in het verleden een paar keer gebeurd dat een Anaconda een mens heeft opgegeten. Omdat de mens in het verleden (en tot op heden) over lengtes spraken van 15 en zelfs tot 40 meter heeft het Zoölogical Sociëty uit New York een premie uitgeloofd aan degene die een Anaconda kan aantonen die langer is dan 10 meter.
Tot op heden is die premie nog nooit geïnd.
De waarheid is dat op dit moment de wetenschap een skelet van een Anaconda in haar bezit heeft van 9,6 meter, met een gewicht van ruim 200 kilo.
Waarmee het tot vandaag het grootste gevonden skelet is.
PYTHON VAN 15 METER !!!
Stond er geschreven in het Algemeen dagblad van 30 december 2003.
In het Indonesische dorp Curugsewu op het eiland Java zou een Python zijn gevangen van 14,85 mtr lang en 450 kg zwaar.
Volgens het Guinness Book of Records zou dit de grootste slang zijn die ooit was gevangen. Deze melding zorgde er voor dat er honderden mensen naar de dierentuin van dit dorpje gingen om de slang te bekijken.
Maar . . . toen de officiële fotograaf van het persbureau Reuters kwam en het dier ging opmeten kwam hij niet verder dan 6,5 meter!!!
Toen hij opheldering ging vragen bij de oppasser van deze slang zei die dood leuk "Ik zou niet weten hoe het komt dat hij ineens is gekrompen"!!!
Waarschijnlijk ging het hier gewoon om een publiciteit stunt. (en gezien het aantal bezoekers is dat nog gelukt ook).

Guiness Book of Snakes
Enkele leuke feiten en wereldrecords van de slangen zelf!
De langste slang:
De netpython, die in Zuidoost-Azië, Indonesië en de Filippijnen voorkomt, wordt vaak langer dan 6,25 meter. In 1912 werd op Celebes, Indonesië, een exemplaar (gevangen) gedood dat 10 meter lang was.
Snelste slang op het land
De snelste slang op het land is de agressieve, zwarte Mamba.
De zwarte Mamba komt voor in het zuidoosten van Afrika.
Deze slang kan op vlakke grond kortstondig snelheden van 16-19 km/uur halen
De zwaarst levende slang:
De zwaarste levende slang is een Birmese python.
Deze python woont in het Serpent Safari Park in Illinois, VS. Het dier, wat luistert naar de naam “baby”, woog in november 1998 maar liefst 182,5 kg.
Ze is 8,22 meter lang en heeft een gordelomvang van 71 cm.
Gezien het feit slang hun hele leven groeien, is de slang ongetwijfeld nu al weer langer en zwaarder
De giftigste landslang:
De kleine, felle taipan wordt 1,70 m lang en komt vooral voor in het gebied van de Diamantina River en Cooper Creek in Queensland en het westen van New South Wales, in Australië.
Tijdens één beet kan een taipan 60 mg gif inbrengen: voldoende om een klein buideldier snel te verlammen, maar ook ruim voldoende om verscheidende volwassen mensen te doden.
De gemiddelde hoeveelheid gif tijdens het “melken” bedraagt 44 mg, maar één exemplaar leverde 110 mg: voldoende voor het doden van 250.000 muizen.
Gelukkig leeft deze slang alleen in woestijngebied, waardoor het nog geen menselijke slachtoffers heeft gemaakt.
De langste gifslang:
De langste gifslang is de koningscobra, die gemiddeld 3,70 tot 4,50 m lang wordt.
Hij komt voor in Zuidoost -Azië en India.
De kop van de koningscobra is net zo groot als de hand van een mens en het dier kan zich oprichten dat het oog in oog staat met een volwassen mens.
Zijn gif kan het zenuwstelsel aantasten en tot verstikken leiden, terwijl andere giften het verlamde slachtoffer te verteren.
Het gif van één beet is voldoende om een olifant of 20 mensen te doden.
De zwaarste gifslang:
De zwaarste gifslang is waarschijnlijk de oostelijke diamantratelslang in het zuidoosten van de VS., die 5,5-6,8 kg weegt en 1,5-1,8 meter langs is.
Het zwaarste gemeten exemplaar woog 15 kg en was 2,36 meter lang.

Voor meer info of eventuele reserveringen mag je uiteraard contact opnemen met ons.
Telefoon nr: : + 31 (0) 543 - 475166
|